DE MAN EN ZIJN VRIENDEN (Verhaal)

      DE MAN EN ZIJN VRIENDEN

Het verhaal van een man die nog op tijd vond wat hij echt nodig had

 Naarmate we ouder worden, worden we verstandiger. Tenminste, dat zou zo moeten zijn. Helaas is dat meestal niet zo.

Als je jong bent, dan kijk je naar al die grote en dus verstandigere mensen. Mensen met ervaring. Mensen die weten wat het leven is en waarom het is. Tenminste, dat denk je. Helaas is dat meestal ook niet zo.

Er was eens een man. Hij was dus al groot. Een gewone man. Een man zoals de meeste mannen. Een man zoals u. Misschien bent u die man wel. Niet echt rijk, maar hij had wel vrienden.

Toen hij jong was, was er een vraag bij hem opgekomen. Eigenlijk een heleboel vragen. Als kind vroeg hij al: “Papa, waarom vallen de sterren niet naar beneden?”, “Kunnen de bloemen ook praten?” en “Hoe oud is God?”. Nu had hij andere vragen zoals: Waarom?  Waarom ben ik hier? Wat moet ik hier doen? En... waar ga ik eigenlijk naar toe later?

Gelukkig had hij veel vrienden. Als hij ergens rustig een pintje dronk met een van zijn vrienden, dan stelde hij hen soms wel eens een van zijn vragen. En.... hij kreeg heel wat antwoorden.

De eerste vriend aan wie hij zijn vragen vertelde, zei: “Zeg, waar ben jij mee bezig? Krijg jij geen hoofdpijn van al dat gepieker? Das voor de filosofen! Niet voor ons! Laten we een pintje gaan drinken. Dan vergeet je die gedachten hopelijk. In de hemel is geen bier, daarom drinken we het hier! Zeg het eens, wat wil je drinken?

Maar.... voordat zijn vriend was uitgesproken, bekroop hem al een onbehagelijk gevoel. Het gevoel dat een struisvogel moet hebben als hij zijn kop in het zand steekt. Hij had direct al geen trek meer in dat pintje. En ook geen zin om zijn gedachten maar weg te drinken. Er moesten betere antwoorden bestaan op zijn vragen dan deze dooddoener.

Op zijn werk had hij ook een vriend. Een collega. Een zeer intelligent mens. Tweemaal gepromoveerd in Leuven. Ook een heel interessant mens met een brede kijk en veel interesses. Zo iemand aan wie je dit soort vragen wel durfde stellen. Je wist dan zeker dat je een intelligent antwoord zou krijgen. Maar het antwoord viel toch tegen. “Waar je vandaan komt? Wat je hier doet en waar je naar toe gaat?”, vroeg zijn vriend met de vele titels. “Luister: Je bent gewoon toeval. Net zoals alles toevallig is. Je had er toevallig ook niet kunnen zijn. Maar je bent er toevallig wel. Dus tot mijn grote spijt heb ik niet echt een antwoord op je vragen. Het beste wat ik je zou kunnen zeggen is wat je waard bent. Tenminste lichamelijk. Als ik even bereken hoeveel de stoffen in jouw lichaam waard zijn, dan kom ik op enkele euro’s. Maar troost je: die stoffen zullen straks weer als voedsel dienen voor de volgende toevalligheid die hier zal rondlopen.”

De man probeerde zijn ontstellende teleurstelling achter een geforceerde glimlach te verbergen. Alles in hem schreeuwde dat dit “toeval-verhaal” niet echt kon kloppen. Vanaf dat moment daalde zijn achting voor dit soort zogenaamde “wetenschap” behoorlijk. Het was natuurlijk heel knap dat ze de waarde van al je lichaamsstoffen konden berekenen. Maar daarmee waren zijn grote vragen niet echt beantwoord.

Een tijdje later ontmoette hij toevallig weer een van zijn vrienden. Hij was blij dat hij zoveel vrienden had! Ook hem stelde hij zijn vragen. “Dat zijn goede vragen”, antwoordde zijn vriend. “Luister:  Ik had een vriend die helemaal naar India is gereisd. Omdat hij dezelfde vragen had. Hij kwam terug en vertelde me dat de antwoorden eigenlijk heel dichtbij waren: Gewoon in jezelf.  Eigenlijk had hij dus niet helemaal naar India moeten gaan. Want wat hij daar had geleerd was gewoon zoiets als: Kijk in jezelf. Wees in balans met jezelf. Waardeer je zelf. Als dat na veel oefening dan lukt, dan doe je de heerlijke ontdekking dat je eigenlijk maar een nietig en onbeduidend onderdeeltje bent van het hele universum. Je bent eruit ontstaan en straks zal je er weer een onzichtbaar deeltje van zijn. Zoals een druppel die in de oceaan valt”.

De man keek zijn vriend verbaasd aan. “Wel,” zei hij, “dat is nu ook niet echt waar ik naar uitkijk”. “Naar wat?” vroeg zijn vriend. “Wel, naar dat voor altijd onzichtbaar worden. Volgens jou leef ik dus nu om straks niks te worden. Tja.... wat maakt het dan nog uit dat ik hier ben? Ik had er dan ook net zo goed niet kunnen zijn, toch?”. “Ach”, antwoordde zijn vriend. “Dat is nu eenmaal je lot. Maar vergeet niet dat we op die manier een deeltje van het goddelijk zijn. Maar we praten er nog wel eens over.”

Dat woordje “goddelijk” trof hem. Want ergens besefte hij dat de antwoorden in die richting moesten worden gezocht. Bij God of het goddelijke. Bij de bron van alle dingen, die, zo vermoedde hij, ook het doel en eindpunt van alle dingen moest zijn. Maar ja.... dat was natuurlijk wel wat hoog gezocht. Hoe kwam hij daar in vredesnaam achter?

Gelukkig was zijn vriendenkring nog niet uitgeput. Hij had er nog eentje. Een heel interessante mens. Ook een vriendelijk en zachtmoedig mens. Je zou kunnen zeggen: een mens met diepte. Niet zo eentje die zijn vragen met een pintje van de tap wegspoelde en ook niet zo eentje die alles maar in een wetenschappelijk doofpot wilde stoppen. En ook niet iemand die met zijn verstand op nul nog een wierookstokje aanstak in de hoop straks zelf met de rook van dat stokje in het heelal te verdwijnen. Nee, deze vriend gaf hem meer hoop. Hij ging dan ook met goede moed naar hem toe en legde hem zijn vragen voor.

En zoals hij had verwacht, werd dit gespreksonderwerp met groot enthousiasme ontvangen. “Wat ben ik blij”, zei zijn vriend, “dat er vandaag de dag nog mensen durven bezig zijn met deze grote levensvragen! Blij dat je gekomen bent. Bij mij ben je aan het goede adres. Ik hoop dat je dit komend weekend tijd hebt, want ik zou je willen uitnodigen naar een retraite. Een tijd van stilte om tot bezinning te komen. Het gaat door in een omgeving met prachtige natuur. Rust verzekerd dus! Onze retraite vindt plaats in een mooi gerestaureerde oude kapel. Je zult genieten van de gebrandschilderde ramen en de kunstwerken aan de muur. Er branden daar vele kaarsen, en je hoort er prachtige muziek. We praten daar niet veel, maar de omgeving is ideaal om over al je vragen na te denkenEn aan het eind van ons weekend zullen we dan in een groepsgesprek onze bevindingen bespreken. De rijkdom van zo’nretraite is dat je zoveel mensen ontmoet die allemaal hun eigen beleving aan je willen vertellen. Hoe zij de dingen zien. Zoals zij het goddelijke heel persoonlijk beleven.”

Het weekend werd inderdaad heerlijk. Hij kwam volledig ontspannen thuis. Hij had er ook nog een CD gekocht met de muziek uit die kapel, zodat hij die sfeer in zijn eigen living nog vaak zou kunnen oproepen. Maar ondanks de schoonheid van deze ervaring, bleven zijn vragen onbeantwoord.

Niemand kon hem echt vertellen wie die God nu eigenlijk was en waarom die God hem op deze wereld had gezet. En zeker niet waar hijzelf naar toe zou gaan als zijn laatste dag zou zijn aangebroken. Iedereen hoopte daar wel op, maar niemand wist het zeker. Maar ondanks die teleurstelling was zijn vriendenkring er wel door gegroeid.

Toen hij zijn vragen nog eens aan een andere vriend voorlegde, kreeg hij een interessant antwoord. “God bestaat zeker. Maar als je Hem later wilt ontmoeten, dan moet je nu zorgen dat je je puntjes verdiend. Ik kan je een paar tips geven: “Ken je Greenpeace of Artsen zonder Grenzen? Wel, als je die organisaties steunt, dan help je niet alleen mensen in nood, maar eigenlijk help je daarmee ook jezelf. God kijkt namelijk of je wel goed genoeg bent om later bij Hem te mogen komen. Dus... ik zou zeggen: wacht niet te lang. Ga maar gauw aan de slag!”

Tja... daar kon hij toch weinig tegenin brengen. Goed doen kan toch niet fout zijn? En eigenlijk deed hij ook al veel goeds. Zoveel zelfs dat hij er eerlijk gezegd wat moe van was. Maar het was wel fijn om goed te doen. Alleen.... zijn vragen werden er niet door beantwoord en God had hij er zeker niet door gevonden.

Vele jaren gingen voorbij. Zijn vragen waren niet verdwenen. Integendeel. Naarmate hij ouder werd, werden ze alleen maar groter. Het leven bleek korter te zijn dan hij dacht. Regelmatig verloor hij ook een vriend.

Op een dag stierf een collega van hem. Hij ging naar de begrafenis. Niet omdat hij hem zo goed had gekend, want het was een collega van een andere afdeling. Maar als iemand overlijdt, iemand die je zolang dagelijks hebt ontmoet in de

gangen van je kantoor, dan ga je toch naar de begrafenis. Voor de begrafenis was er nog een moment van herdenking. Het was duidelijk dat de man die daar sprak zijn collega goed had gekend. Het bleek een van de leidinggevenden te zijn van het kleine kerkje waar zijn collega lid van was geweest. De woorden die die man daar sprak hadden hem zo getroffen, dat hij ze nu nog bijna letterlijk kon na vertellen. Het waren ook niet de woorden van die man zelf. Nee, hij had ze voorgelezen uit een oude Bijbel. “Gods Woord” noemde hij dat. Al vanaf het begin had hij daardoor een gevoel gekregen dat hij nu in de buurt kwam van de echte antwoorden. Want als die Bijbel echt het Woord van God was, wel, dan was hij aan het goede adres!

De spreker had gesproken over een klein zinnetje uit die oude Bijbel. Hij herinnerde zich dat zinnetje nog bijna letterlijk. Het ging zo: “Want zo zegt De Hoge en Verhevene, Die de eeuwigheid bewoont, de Heilige, : Ik leef in die hoge en heilige plaats, maar ook bij ieder die berouwvol en nederig is; Ik verfris de nederigen en geef nieuwe moed aan mensen met een berouwvol hart”.

Deze man las dat voor en gaf toen een wonderlijke uitleg. Tenminste, hij legde eigenlijk gewoon uit wat er stond. Hij vertelde dat God had gezegd: “Ik ben de Hoge en Verheven God. De Schepper van hemel en aarde. Ik heb alles gemaakt. En Ik heb ook alles gemaakt voor Mijzelf. Ik ben daarom het doel van het leven! Ik woon op een hoge en heilige plaats.” De man legde uit dat de rest van dat Boek ons vertelt waar dat is. Niet in jezelf of in een ervaring. Niet in een grote onpersoonlijke en eeuwige oceaan waar we straks als een druppeltje zullen invallen. Ook niet in mooie muziek of een religieuze omgeving. En ook niet in het totaal van onze goede daden. Nee, die God woont op de hoogste plaats die we ons kunnen voorstellen, Zijn hemel.

Maar niet alleen daar. Die oude tekst die hij had voorgelezen zei nog iets. God woont ook op het allerdiepste plekje. Namelijk bij mensen die berouwvol naar Hem zijn toegegaan en in alle nederigheid hun schuld aan Hem hebben toegegeven. “Zo’nman”, zei de spreker, “was uw collega. Die had in zijn leven veel in dat oude Boek gelezen en had heel wat ontdekt. Hij had ontdekt dat God zo heilig en groot is, en dat wij mensen kleine schuldige wezentjes zijn”. De spreker vertelde dat er door onze zonden een enorme ondoordringbare muur was ontstaan tussen die heilige God en ons onheilige mensen. Een muur die je niet zomaar kon neerhalen. Zeker niet met een paar goede werken zoals steun aan Artsen zonder Grenzen ofaan Greenpeace. Dat was allemaal heel mooi, maar je kon God daarmee nu eenmaal niet omkopen. De God van de Bijbel is zo groot en zo heilig dat Hij onbereikbaar is. Alle ladders van de wereld kunnen nooit hoog genoeg komen om Hem te bereiken. Geen filosofische ladder, geen religieuze ladder en ook niet met de ladder van onze goedheid.

Nee, had de spreker gezegd. Als je die God wilt ontmoeten dan moet je de andere kant op: naar beneden. Dan moet je eigenlijk op je knieën. Of nog beter gezegd: plat op je buik. Dan moet je zeggen: “God, ik ben voor altijd onwaardig om U te ontmoeten. U weet beter dan ik wat ik in mijn leven allemaal heb gedacht, gezegd en gedaan. Ik begrijp dat ik daarmee nooit bij U binnen kan komen. Ik geef het allemaal toe.”

“En dan....” zo zei de spreker, “gaat er iets wonderlijks gebeuren. Als je dat tegen Hem zegt, dan laat Hij je onder die muur doorkijken. Tenminste als je helemaal plat op je buik gaat liggen. Anders kun je het niet zien. Dan zul je een kruis zien staan. Het kruis waar Zijn Zoon Jezus 2000 jaar geleden aan is gestorven. Niet zomaar. Niet als een mooi voorbeeld. Maar om die schuld van jou te betalen. Vrijwillig en volledig. En als je dat Kruis ziet staan, en gelooft dat Hij voor jou alles heeft betaald, schuif dan de rekening van je leven onder die muur door. Dan zal Hij die oppakken en er met rode letters op schrijven: BETAALD ! En op dat moment zal de muur instorten. Van boven naar beneden. En jij zal dan zomaar naar binnen mogen. Op bezoek bij die Heilige, Verhevene en Eeuwige God. Vanaf dat moment zul je de antwoorden krijgen op vragen zoals: “Waarom?  Waarom ben ik hier? Wat moet ik hier doen? En... waar ga ik eigenlijk naar toe later?” Niet eerder.

Onze vriend had met open mond zitten luisteren. Zijn vermoeden was uitgekomen. Hij was hier aan het juiste adres. Heel zijn verstand en hart zeiden dat dit waar was! Er is een God. Hij kent mij. Hij wacht totdat ook ik op mijn buik ga liggen en Hem de rekening geef. Hij begreep ook waarom zijn vrienden hem dit antwoord niet hadden kunnen geven. Ze stonden namelijk nog recht. Ze wilden niet op hun buik gaan liggen.

Die avond thuis had hij gedaan wat die prediker had gezegd. Hij was op zijn slaapkamer op zijn buik gaan liggen. En Hij had zijn hele leven aan die grote God verteld. Niet dat God er niets van wist. Natuurlijk wist Hij dat allemaal allang. Maar God had gewacht totdat ook hij zou komen.

Die avond heeft hij de rekening teruggekregen, nu met de onvoorstelbaar mooie woorden: “Ik heb het voor je betaald!”

En ook op die avond waren zijn vragen beantwoord. Allemaal. Hij wist waar Hij vandaan kwam: Door God geschapen. Hij wist ook wat hij hier moest doen: voor Hem leven. En... hij wist waar hij straks naar toe zou gaan: Naar God. 100% zeker! God zou hem niet meer verooordelen voor al zijn verkeerde dingen. Want Jezus, de Zoon van God, had in zijn plaats dat oordeel al gedragen. Jezus had zijn persoonlijke rekening betaald. En daar zou hij zijn collega terugzien. Dat was geen vage hoop meer, maar een grote onwrikbare zekerheid!

Hij is teruggegaan naar al zijn vrienden. Om hen dit te vertellen. De meeste hadden hem raar aangekeken. Sommige zelfs meewarig en spottend. Maar ondanks dat dit hem pijn had gedaan, was zijn vreugde over zijn redding niet verminderd. En dat zou ook nooit meer gebeuren!

 

Jezus zei het zo:

 

“Het is zoals Ik zeg: Wie naar mijn woorden luistert en gelooft in Hem Die Mij gestuurd heeft, heeft eeuwig leven. Zo iemand wordt niet veroordeeld, maar is overgeplaatst uit de dood in het leven”

Johannes hoofdstuk 5 vers 24